Geschiedenis van het Fonds

Naar het oordeel van de jury:
25 jaar Victorine van Schaick Fonds (2000)
 

Over Victorine van Schaick

Afbeelding Victorine van Schaick.jpg

Victorine Florentine Henriëtte Eugenie van Schaick werd op 4 juni 1917 te Midlum in Friesland geboren in een domineesgezin dat na enige omzwervingen in het noorden des lands ten slotte in Soest terecht kwam. Zij volgde een HBS-A opleiding aan het Baarns Lyceum waar de bekende rector Jan Arend Vor der Hake de scepter zwaaide onder het schone devies: 'Het pad der rechtvaardigen is als de morgenglans'. Toen Victorine, na geslaagd te zijn voor haar eindexamen en vervolgens een jaar in Parijs vertoefd te hebben, naar een verdere ontplooiing van haar mogelijkheden zocht, kreeg zij het dringende advies van Rector Vor der Hake, tevens bestuurslid van de Centrale Vereniging van Openbare Leeszalen, om die in het bibliotheekvak te zoeken. Zij meldde zich bij de Openbare Leeszaal in Utrecht en kwam daar te werken onder de spraakmakende directrice Elisabeth de Clerq bij wie een gedegen opleiding verzekerd was. Juffrouw De Clerq was bekend en werd gerespecteerd in de toenmalige bibliotheekgemeenschap. Paul Schneiders noemt haar in zijnNederlandse Bibliotheekgeschiedenis (Den Haag 1997) in één adem met groten als Brummel, Korevaar, Greve, Molhuysen, Gebhard en Sevensma. Zij heeft er overduidelijk voor gezorgd dat de strenge normen die zij ten aanzien van het vak hanteerde op anderen en dus ook op Victorine werden overgedragen. Victorine's carrière bereikte vervolgens via de bibliotheek van de Binnenlandse Veiligheidsdienst, het Koninklijk Huisarchief en de Openbare Bibliotheek van Amsterdam, in de Haagse P.A. Tiele Academie een hoogtepunt. Daarnaast vervulde zij functies als redactielid bij de toemalige vakbladen De Openbare Bibliotheek (later Bibliotheek en Samenleving) en bij Bibliotheekleven (laterOpen) en was zij lid van de subcommissie titelbeschrijven en alfabetiseren van het bestuur van de NVB en lid van de Rijkscommissie van Advies.

In alle opzichten veelzijdig, vond Victorine een grote mate van voldoening in de overdracht van haar kennis aan jonge mensen die zich de uitoefening van het bibliotheekvak ten doel gesteld hadden. Voordat zij haar werkzaamheden aan de Tiele Academie begon, had zij al eerder les gegeven aan de Gemeenschappelijke Opleidingen, C.V.-cursussen en de Amsterdamse Frederik Muller Academie. En met veel succes.

Op vrijdag 16 januari 1976 overleed zij als gevolg van een auto-ongeluk. In het februari-nummer van Open verscheen er een kort In Memoriam van G.A. van Riemsdijk, waarin hij namens allen die haar kenden schreef hoe onvoorstelbaar moeilijk te aanvaarden het was hoe zij, 'zo midden in haar werk, zo oprecht levend tussen vrienden en collega's, van het ene ogenblik op het andere, ons is ontnomen.' En hij vervolgt: 'Jawel, zij was een vakvrouw van groot formaat. Maar zij was ook Victorien, boeiend in het gesprek, boeiend om gade te slaan. Victorien, die zoveel vrienden heeft gemaakt, die door het gebeurde een beetje ontredderd en bedroefd achterblijven.'

Oprichting van het fonds

Ongeveer een jaar na het overlijden van Victorine van Schaick verscheen er een korte mededeling in het maartnummer van Open en het aprilnummer vanBibliotheek en Samenleving waarin melding werd gemaakt van de oprichting van een fonds dat de naam Victorine van Schaick Fonds zou dragen, beheerd door een Stichting met als doel regelmatig prijzen toe te kennen aan jonge vakgenoten, die zich door publicatie van een tijdschriftartikel, boek of rapport van meer dan gemiddeld niveau op het terrein van het bibliotheek- en/of documentatievak hebben onderscheiden. 'Enkele van haar collega's', zo luidde de mededeling, 'hadden het idee geopperd om de herinnering aan Victorine van Schaick ook voor de komende generaties levend te houden door het bijeenbrengen van een fonds dat haar naam zou dragen.' Haar familie was zeer gelukkig met dit initiatief en besloot de gehele erfenis van haar onverdeeld aan de op te richten Stichting ter beschikking te stellen. De prijs zou daardoor uit een meer dan symbolisch bedrag kunnen bestaan.

Een voorlopig bestuur werd gevormd bestaande uit dr. C. Reedijk, J. van Dam, U.J. Jinkes de Jong, Mevrouw M.M.V. des Tombe-van Schaick, W. de la Court en drs. A.L. van Wesemael. Met grote voortvarendheid werden al in dezelfde mededeling jonge vakgenoten (tot 35 jaar) uitgenodigd om naar de prijs te dingen en een recente publicatie in te zenden.

De statuten

De letterlijke tekst van artikel 2 van de statuten van de 'Stichting Victorine van Schaick Fonds' werd enige maanden later in de vakbladen gepubliceerd en luidt als volgt:

2.1. De stichting heeft ten doel het bevorderen van professionele publicaties op het gebied van het bibliotheekwezen, in de ruimste zin van het woord, door beoefenaren van het bibliotheek- en documentatievak en door hen die zich op dit vak voorbereiden.

2.2. De stichting tracht haar doel te bereiken:

a.

door het toekennen van geldbedragen voor recente publicaties, die naar het oordeel van het bestuur van de stichting voor de bekroning in aanmerking komen;

b.

door het uitschrijven van prijsvragen en het toekennen van prijzen aan deelnemers daaraan, voorzover de inzendingen naar het oordeel van het bestuur van de stichting voor een prijs in aanmerking komen; en

c.

door alle andere middelen, die naar het oordeel van het bestuur voor het doel van de stichting bevorderlijk zijn of daarmede verband houden.

 

2.3. De geldbedragen respectievelijk de prijzen kunnen alleen worden toegekend aan personen, die de vijfendertigjarige leeftijd ten tijde van de publicatie respectievelijk uitschrijven van de prijsvraag nog niet hebben bereikt [NB: deze leeftijdsgrens is later losgelaten, zie infra]. De toekenning kan voorts slechts geschieden voorzover de financiële middelen van de stichting dit toelaten. De toekenning geschiedt door het bestuur van de stichting, dat desgewenst speciale deskundigen kan raadplegen.'

Er werd melding gemaakt van een inleverdatum, en er was sprake van een bedrag van ten hoogste Dfl. 3000 dat beschikbaar was voor een bekroning. 

Het eerste bestuur

De definitieve bestuurssamenstelling was hetzelfde als die van het voorlopig bestuur. Dit zou ook als jury optreden. De oprichters stelden het op prijs de familie van Victorine in het bestuur vertegenwoordigd te zien en vonden mevrouw M. des Tombe-van Schaick, zuster van Victorine, bereid als penningmeester op te treden. De samenstelling van de rest van het bestuur weerspiegelde in zekere zin de personen en werkterreinen waarmee Victorine beroepsmatig contact had gehad, te weten wetenschappelijke bibliotheken (Reedijk, bibliothecaris van de Koninklijke Bibliotheek, voorzitter, en Van Wesemael, onderbibliothecaris van de Universiteitsbibliotheek te Utrecht, lid), openbare bibliotheken (De la Court, bibliothecaris van de Openbare Bibliotheek te Amsterdam, lid), speciale bibliotheken (Van Dam, bibliothecaris van het Ministerie van Sociale Zaken, secretaris) en opleidingen (Jinkes de Jong, onderdirecteur van de Tiele Academie, lid).

Contribuanten?

Het artikel over het fonds dat eerder werd genoemd wees op de mogelijkheid om contribuant van de Stichting te worden en eindigde met het uitspreken van de hoop dat velen die mogelijkheid zouden aangrijpen, 'zodat het Victorine van Schaick Fonds een stimulerende factor kan worden in onze vakwereld.' Dat die hoop verwezenlijkt is kan niet bepaald gesteld worden. De vakwereld althans heeft haar nooit echt aangegrepen. Het waren vooral familieleden van Victorine die zich als donateur meldden. Misschien ging het bestuur ook wel wat al te bescheiden om met het werven van donateurs of het onder hun aandacht brengen van de betaling van de bijdrage. In haar jaarlijkse brief uit 1987 aan de donateurs verwees de penningmeester naar een artikel over het tienjarige Fonds dat binnenkort gepubliceerd zou worden. Zij merkt op dat belangstellenden die prijs stellen op toezending van het artikel dit kunnen laten weten door vermelding daarvan op het girostrookje. 'Want natuurlijk kan ik deze brief niet beëindigen zonder u nog even om uw contributie te vragen!' schrijft zij tot slot. Maar in het archiefexemplaar van de brief is deze zin doorgestreept, en dus naar het zich laat aanzien in de uiteindelijk verstuurde tekst niet opgenomen, alsof een zo duidelijke oproep om te betalen wat al te vrijmoedig gevonden werd. Het Fonds heeft het 25 jaar lang vooral moeten hebben van middelen die door een zorgvuldig beheer van de nalatenschap van Victorine verkregen zijn.

Bekroningsregels in de praktijk

De geschiedenis van het Fonds kan eigenlijk het best in kort bestek worden weergegeven door de lijst van bekroonde publicaties. Er is een grote variëteit van onderwerpen terwijl bovendien de inventiviteit van de jury om een bepaalde inzending met een prijs te bekronen aantoont dat voorwaarden om voor een prijs in aanmerking te komen er zijn om ze in de ruimst mogelijke zin van het woord te interpreteren. Niet bedoeld wordt te zeggen dat er iets zou mankeren aan de kwaliteit van een bekroond werk, integendeel, alle voor een prijs in aanmerking gekomen inzendingen verdienden die in hoge mate. Het is meer zo, dat de aard van het onderwerp het nogal eens moeilijk maakte om de publicatie een 'originele invalshoek' toe te schrijven of vast te stellen in hoeverre er aan nieuwheidswaarde kon worden toegekend. Wel werd altijd streng de hand gehouden aan de eis dat de bruikbaarheid van de publicatie verder zou moeten gaan dan voor de eigen organisatie van belang was en dus ook elders toepassing zou moeten kunnen vinden.

Kwantiteit en kwaliteit

Uit de lijst blijkt dat niet elk jaar van de beschouwde kwarteeuw een prijs is toegekend. Dit betekent niet dat er in de betreffende jaren geen inzendingen waren, maar dat geen van de inzendingen voor een prijs in aanmerking kwam. Evenmin laat de lijst zien hoeveel inzendingen er in een bepaald jaar zijn geweest. Al in 1987 schreef Van Dam, de toenmalige secretaris van het Fonds, dat de voorafgaande tien jaar een wisselend beeld gaf van aantallen mededingers voor een prijs (Open 1987, 454-456). Vele jaren was het aantal onder de verwachting van de initiatiefnemers gebleven, verzuchtte hij, hoewel 1987 - er waren er toen elf - hoopvolle perspectieven bood. Die hoop is, zo laat het zich vijftien jaar later aanzien, ijdel gebleken. De aantallen zijn nog steeds sterk wisselend, maar blijven vooral tamelijk gering. Tot op heden is van de in de statuten vermelde doelstelling om door het uitschrijven van prijsvragen inzendingen uit te lokken nooit gebruik gemaakt. Van Dam treurde nog wat door. Weliswaar vormden de bekroningen die wél plaatsvonden het bewijs dat er kwalitatief duidelijk lichtpunten te bespeuren waren, maar dat er zo nu en dan geen prijs was toegekend was teleurstellend. Bovendien was het de jury opgevallen dat het hanteren van de Nederlandse taal bij velen 'een zwakke plek in hun geestelijke uitrusting' vormde. Van Dam kon de verleiding niet weerstaan een vergelijking te trekken met de wijnoogst die variabel kan zijn, zowel in kwantitatieve als in kwalitatieve zin. 'Een overvloedig productiejaar behoeft nog niet altijd topwijnen af te leveren en een minimaal productiejaar baart soms een grand cru', aldus fijnproever Van Dam.

Het bestuur zag zich voor de vraag gesteld of het willen belonen van kwaliteit en het bevorderen van publiceren wel verenigbaar waren. Zouden er misschien categorieën moeten worden ingevoerd, één van nog in opleiding verkerenden en één van reeds praktisch werkzamen na een voltooide opleiding? Zou er nog meer bekendheid gegeven moeten worden aan het bestaan van de prijs? Gaf de vrijheid in onderwerpskeuze en de veelheid aan mogelijke onderwerpen niet te veel moeilijk vergelijkbare inzendingen? Al deze vragen waren en zijn overigens nog steeds een permanente bron van overleg en discussie. In ieder geval werd in 1988 besloten om voor de prijstoekenning een splitsing in twee categorieën door te voeren: een aanmoedigingsprijs en een hoofdprijs.

Bestuursleden komen en gaan

In de loop van zijn 25-jarige geschiedenis heeft het Fonds bestuursleden zien gaan en komen. De eerste wijziging vond plaats in 1986 toen dr. Reedijk zijn functie als voorzitter neerlegde. Het bestuur bood hem als dankbetuiging een Laurens Jansz Coster gedenkpenning aan, alsmede twee flessen Marc de Bourgogne en een fles Marc de Champagne. Met de flessen hoopte Reedijk, zo schreef hij aan het bestuur, drie jaren door te komen. Daarna zou hij wel weer zien. De penning, liet hij weten, was uiteraard onvergankelijk, maar of zij hem tot de Coster-legende zou bekeren wist hij nog niet.

Van de oorspronkelijke initiatiefnemers is er intussen geen meer over. Het bestuur telt thans [i.e., in 2000] negen leden.

Nieuwe of andere bestuursleden hebben de neiging nog eens extra te kijken naar doelstellingen en naar bereikte en niet bereikte resultaten. Dat heeft in de loop van de jaren die volgden op het vertrek van de heren Reedijk en Jinkes de Jong en mevrouw Des Tombe-van Schaick, en na het overlijden en dus verlies van de heren Van Dam en Van Wesemael tot een aantal wijzigingen en vernieuwingen in het bestuursbeleid geleid. Gezegd moet worden dat de aanzet tot een aantal daarvan reeds eerder gegeven werd en zich ging manifesteren vanaf het moment waarop de heer Van Dam al had laten weten dat het bestuur, terugblikkend op de eerste tien jaar van de Stichting, weliswaar niet geheel tevreden was, maar toch overwegend positief en vernieuwingsbereid. Dat in de verwezenlijking ervan duchtig gebruik werd gemaakt van de bekende zinsnede uit de statuten, dat het doel bereikt kan worden door alle andere middelen, die naar het oordeel van het bestuur voor het doel van de stichting bevorderlijk zijn of daarmede verband houden, moge duidelijk zijn.

Nieuwe initiatieven

In de loop van de jaren negentig werd besloten tot de sponsoring van activiteiten en projecten die gericht zijn op de bevordering van contacten tussen studenten, docenten en de beroepspraktijk. Hiervoor geldt overigens wel dat dergelijke activiteiten moeten resulteren in een publicatie. Ook togen leden van het bestuur vaak zelf op pad om voor een prijs in aanmerking komende publicaties op te sporen. Het sponsoren van een onderdeel van het programma van de tweejaarlijkse Online Conference werd eveneens mogelijk gemaakt, en ook kon voortaan een beroep op het Fonds gedaan worden om bij te dragen in het doen verschijnen van bijzondere publicaties.

Om iets extra's aan de naamsbekendheid van het Fonds te doen besloot het bestuur een folder te laten ontwerpen die onder de verrassende titel Geld heeft geen ideeën, maar ideeën kunnen wel geld opleveren het licht zag. De folder werd in ruime mate verspreid en heeft een aantal malen aantoonbaar geleid tot het inzenden van publicaties.

Hoewel het museum Meermanno Westreenianum ofwel het Museum van het Boek als plaats van de prijsuitreiking alleszins zijn bekoorlijkheid had, was het, mede gezien het tijdstip waarop over de ruimte beschikt kon worden, namelijk maandagochtend, niet bevorderlijk voor het onder ruime aandacht brengen van de prijs, de prijswinnaar en het Fonds. Daarom werd besloten de prijsuitreiking voortaan te laten plaatsvinden als onderdeel van bijzondere bijeenkomsten van de Nederlandse bibliotheekgemeenschap. Bleek het inpassen van de prijsuitreiking in het programma van de dag wel eens een probleem, het bereiken van een groot gehoor, soms zelfs tot bijna vierhonderd personen, was een succes.

Een organisatorisch bestuurlijk probleem werd opgelost toen het bestuur toestemming vroeg en kreeg om het secretariaat onder te brengen bij de Koninklijke Bibliotheek. Continuïteit in het administratieve werk en stabilisering van de adressering van het Fonds werden daarmee bereikt, terwijl tevens een nieuwe mogelijkheid ontstond om het Fonds onder de aandacht te brengen van een breder publiek via een pagina op de website van de KB.

Leeftijdsgrens losgelaten

Voor één nieuw initiatief was een statutenwijziging noodzakelijk. Het vasthouden aan de leeftijdsbeperking werd langzaamaan als hinderlijk ervaren. Vooral het toekennen van een hoofdprijs aan inzendingen van personen die nog geen 35 jaar waren, bleek problemen op te leveren, terwijl er toch vaak genoeg goede publicaties waren die eventueel voor een prijs in aanmerking hadden kunnen komen indien de auteur bij het verschijnen van die publicatie aan de statutair verplichte leeftijdseis had voldaan. En dus verdween die voorwaarde in 1994 uit de statuten. Het onderscheid tussen wat een hoofdprijs genoemd ging worden en een aanmoedigingsprijs kreeg zodoende een duidelijker profiel. Bovendien werd het daardoor mogelijk een oeuvreprijs toe te kennen - iets wat dan ook vrijwel onmiddellijk gebeurde - terwijl de aanmoedigingsprijs het karakter zou kunnen blijven behouden van een aansporing om op het ingeslagen pad voort te gaan. Dat het laatste niet altijd tot het gewenste resultaat leidde, moge blijken uit een juryverslag van 1990: 'Slechts zelden treffen wij in de vakbladen artikelen aan die geschreven zijn door auteurs wier werkstukken voorheen door ons bekroond zijn.' De doelstelling om het publiceren van echte publicaties te stimuleren bleek derhalve weinig succesvol. 

Juryrapporten door de jaren heen

De juryrapporten hebben de jaren door het stempel gedragen van de sfeer in het bestuur tijdens de beoordelingsvergaderingen, de ernst waarmee naar de inzendingen werd gekeken en de stijl van de opeenvolgende voorzitters die gewoonlijk het schrijven van het rapport voor hun rekening namen. Over de prijswinnaars waren de rapporten uiteraard positief, met een enkele keer een persoonlijke kanttekening. Zo werd van één prijswinnaar gezegd dat de kwaliteit van zijn tekst zich niet had laten commanderen door de vereiste structuur van een goed werkstuk. Zijn kennelijke plezier in schrijven had hem het keurslijf van de regels op aangename wijze doen gebruiken om zijn verhaal er verleidelijk uit te laten zien. 'En u allen weet, naar ik aanneem', voegt de voorzitter er enigszins oubollig aan toe, 'dat een keurslijf soms veel verleidelijks weet te herbergen.' Het zijn vooral de algemene opmerkingen vooraf of aan het slot die aan de juryrapporten hun bijzonder informatieve, manende of wervende karakter geven. In de inleiding of bij een nawoord worden nieuwe initiatieven van het bestuur bekend gemaakt en worden er heel wat (harde) noten gekraakt. Nogal eens is er sprake van het gering aantal inzendingen. Er wordt spijt betuigd over het vrijwel altijd ontbreken van werkstukken gemaakt in het kader van de opleiding Documentaire informatiekunde aan de Universiteit van Amsterdam. Gevorderden in de beroepsopleiding wordt aanbevolen de vakbladen goed te volgen (!). Er worden vaak geen werkstukken vanuit de opleidingen ingezonden. Daarentegen werden wel enige keren hoogwaardige inzendingen vanuit de opleidingen in Vlaanderen ontvangen.

Geen reden voor somberheid

Is er dan reden voor algehele somberheid? Dat is geenszins het geval. De in de loop van de jaren ingezonden publicaties en werkstukken en de kwaliteit van de bekroonde inzendingen laten zien dat het bestaan van het Fonds alleszins gerechtvaardigd is. Het Fonds toont in een informatiewereld die toch al karig is in het belonen van initiatieven op publicitair gebied het juiste middel gevonden te hebben om aandacht te vestigen op zaken die het Fonds van belang acht, namelijk het stimuleren van publicaties door jonge vakgenoten en het belonen van aanmerkelijke prestaties op het gebied van de bibliotheek-, documentatie- en documentaire informatiewetenschappen. In de loop van de afgelopen vijfentwintig jaar waren er teleurstellingen, jazeker, maar die wegen absoluut niet op tegen het succes bij het behalen van de beoogde doelstellingen. De lijst van prijswinnaars en hun winnende inzendingen en van gesponsorde activiteiten moge daarvan overduidelijk blijk geven.

voorjaar 2000

 

Jacques van Gent, voorzitter van het Fonds 1992-2003